De meeste Nederlandse woonkamers worden opgeleverd met een centraal lichtpunt en soms een tweede boven de plek waar de eettafel verondersteld wordt te staan. Dat is genoeg om niet over meubels te struikelen en te weinig om een kamer prettig te maken. Alles wat een kamer s avonds aangenaam maakt, komt uit lampen die er niet standaard hangen.
Laag een: algemeen licht
Algemeen licht maakt de ruimte leesbaar: je ziet waar de deur is, waar de trap begint en waar de bank staat. Het hoeft niet fel te zijn en het hoeft zeker niet uit een enkele plafondlamp te komen. Twee of drie zwakkere bronnen, verdeeld over de kamer, geven een gelijkmatiger beeld dan een sterke bron in het midden.
Waar dat kan, is indirect licht hier het prettigst: een lamp die tegen het plafond of tegen een wand schijnt, verspreidt het licht en voorkomt harde schaduwen op gezichten. Wie alleen een centraal punt heeft, wint al veel met een kap die naar boven en beneden licht doorlaat.
Laag twee: functioneel licht
Functioneel licht valt op de plek waar iets gebeurt: de eettafel, de leesstoel, het werkblad, het bureau. Hier zijn de maten concreet. Een hanglamp boven een eettafel hangt met de onderkant doorgaans zeventig tot tachtig centimeter boven het tafelblad. Dat voelt bij het ophangen te laag en klopt zodra iedereen zit: de lamp valt dan buiten de zichtlijn tussen de mensen aan tafel.
Voor een leeshoek geldt dat de lichtbron zich schuin achter de schouder hoort te bevinden, aan de kant van de vrije hand, zodat er geen schaduw op de bladzijde valt. Een vloerlamp met een verstelbare arm doet dat beter dan een lamp aan het plafond.
Laag drie: accentlicht
Accentlicht geeft de kamer diepte. Het licht een boekenkast aan, een plant, een schilderij of een hoek die anders zwart blijft. Zonder deze laag oogt een kamer plat, ook wanneer er genoeg licht is. Een kleine lamp op een kast in de verste hoek doet meer voor de beleving dan een sterkere plafondlamp.
Een lichtplan tekenen
- Teken de plattegrond met de meubels op de plek waar ze komen te staan.
- Markeer de activiteiten: eten, lezen, televisie, doorloop, werken.
- Zet per activiteit een functioneel lichtpunt met de gewenste hoogte erbij.
- Vul aan met twee of drie algemene bronnen, verspreid over de kamer.
- Voeg twee tot vier accentpunten toe in hoeken en op verticale vlakken.
- Bepaal per punt welke schakelaar of stekkerdoos hem bedient.
Reken bij het kiezen van lampen in lumen en niet in watt. Met led zegt het opgenomen vermogen weinig meer over de hoeveelheid licht. Een gangbare gloeilamp van veertig watt kwam ongeveer overeen met vierhonderd lumen, zestig watt met ongeveer zevenhonderd lumen. Op elke verpakking staat het aantal lumen vermeld.
En kies dimbaar waar het kan. Een kamer die tussen zeven uur s avonds en middernacht steeds zachter wordt, volgt het ritme van de bewoners zonder dat er een lamp verplaatst hoeft te worden.

